Stel, een EU-lidstaat wordt op een of andere manier aangevallen en er wordt om hulp gevraagd, wat moet er dan gebeuren? Natuurlijk, er is artikel 5 van het NAVO-verdrag, maar als dat niet van toepassing is of niet werkt, bijvoorbeeld omdat Amerika het laat afweten; wat dan?
Dan hebben we altijd nog artikel 42.7 van het Europese verdrag. Maar werkt dat en in welke gevallen? En wie doet wat?
Veel vragen, dus werd het tijd voor een oefening. Niet dat de tanks door de straten van Brussel reden, maar op papier. Alleen het aanvankelijke plan werd fors afgezwakt. Er werd namelijk eerst gedacht aan een scenario met een aanval op een EU-land dat geen lid is van de NAVO. Dat plan werd echter snel in de koelkast gezet om de Amerikaanse president geen argument te geven om artikel vijf van de NAVO ter discussie te stellen.
Wat wilden ze dan oefenen?
Eigenlijk is oefening een te groot woord. Er is ooit afgesproken dat landen elkaar helpen, dat artikel 42.7 dus, maar wat dan? Dat is de vraag die nooit is beantwoord. Volgens de Europese chef Buitenland Kaja Kallas is het verschil dat de clausule bij de EU gaat over collectieve bijstand en bij de NAVO is het collectieve verdediging. Dus wilde ze geen oorlogsoefening en vooral geen betrokkenheid van ministers van Defensie. Het moest een zogeheten hybride oefening worden.
Zo gezegd, zo gedaan. En dus worden de resultaten nu uitgebreid besproken. De bedoeling is dat bij een volgende oefening wel een aanval op een van de vier EU-landen plaatsvindt, die geen lid zijn van de NAVO: Oostenrijk, Cyprus, Ierland en Malta. Maar de vraag blijft wat er dan precies geoefend is. Wie we ook bellen, niet iedereen is even loslippig. “Zij oefenden geen specifieke scenario’s waarbij vijandelijke tanks al door de straten rollen, want voor elk scenario dat je voorbereidt zijn er honderd die je niet voorbereidt”, aldus een EU-diplomaat.
Goed, maar wat oefenden de ambassadeurs dan? Het officiële antwoord is dat ze het proces bespraken dat in gang wordt gezet wanneer een land een beroep doet op clausule 42.7. Oftewel: “Wie belt wie? Wie komen er bij elkaar? Wie neemt de leiding?”, legt de diplomaat uit.
Over die laatste vraag zouden de ambassadeurs en de Buitenlanddienst van Kaja Kallas het nog niet eens zijn. Haar departement (de EEAS) vindt dat zij een centrale rol moet hebben in het uitvoeren en coördineren van de clausule, terwijl de lidstaten die verantwoordelijkheid liever niet uit handen geven. Zij vinden dat het getroffen EU-land leidend moet zijn.
Is iedereen enthousiast?
Europarlementariër Thijs Reuten (Pro/PvdA) vindt het “hoog tijd” dat deze gesprekken plaatsvinden. In januari riep hij al op tot een scherpere definitie van de bijstandsclausule. Volgens de politicus is het te onduidelijk (ook na de oefening) wat er precies gebeurt wanneer een lidstaat een beroep doet op het artikel. Hij wil daarom duidelijke afspraken tussen EU-landen over hoe en wanneer zij elkaar militair te hulp schieten: “Solidariteit kan niet vaag blijven”, zei hij destijds.
Reuten maakt zich zorgen over de discussie wie de leiding neemt. Hij noemt dat de gebrekkige slagkracht van Europa en vooral van de buitenlanddienst van Kallas. “Defensie is nog altijd een bevoegdheid van de lidstaten; dat moet veranderen.”
Ook moeten er afspraken komen over de vorm van steun die landen elkaar bieden. Nu nog kan het gaan om van alles: medische steun, financiële steun, het leveren van wapens, maar ook het sturen van troepen. En juist achter die vaagheid schuilt het probleem, vindt Europarlementariër Bart Groothuis (VVD), plaatsvervangend lid van de Veiligheids- en Defensiecommissie in het Europees Parlement.
“Artikel 42.7 is omringd met vraagtekens,” legt Groothuis uit. Hij wijst erop dat het artikel slechts éénmaal werd ingeroepen, tijdens de terroristische aanvallen in Parijs op 13 november 2015. “De clausule is dus nauwelijks getest, dat gaat een aanval van de Russen echt niet afschrikken.”
Reuten deelt de zorgen van zijn collega en voelt te weinig urgentie bij de lidstaten om vaart te maken met de afspraken. “Ze denken dat ze tijd hebben om eindeloos te vergaderen, maar we moeten nú onze afschrikking op orde krijgen.” De Europarlementariër van Pro vindt dat de gesprekken veel te laat komen.
