Als je in Amerika een veelbelovend bedrijf begint, kan je in verschillende staten aankloppen voor financiering. Of de investeerder nu uit Californië of New York komt, allemaal spreken ze dezelfde juridische taal. In Europa is dat anders. Als je een investeerder in Parijs aan de lijn hebt, krijg je te maken met heel andere belastingregels en toezichthouders dan als je belt met een investeerder uit Madrid. Bedrijven zoeken daarom vaak investeerders in hun eigen land.
De gevolgen van dit probleem zijn groot. De vele duizenden miljarden euro’s die in Europa beschikbaar zijn – van burgers, pensioenfondsen, verzekeraars en grote beleggers – worden daardoor niet efficiënt ingezet om Europese bedrijven vooruit te helpen. Terwijl Europese bedrijven dat geld wel hard nodig hebben om op te boksen tegen de diepe zakken van Amerika en China, waar zulke grote investeringen wel plaatsvinden. Doet Europa het niet? Dan blijft het afhankelijk van bedrijven buiten de eigen grenzen.
Die boodschap herhaalde de Portugese Eurocommissaris Maria Luís Albuquerque deze week in Den Haag. Albuquerque heeft binnen de Europese Commissie de taak om de financiële markten van alle EU-lidstaten te stroomlijnen en één zogeheten kapitaalmarktunie te creëren. Ze is al ruim anderhalf jaar bezig en heeft de meeste lidstaten al bezocht. Een officieel bezoek aan Nederland was er door de val van het vorige kabinet nog niet van gekomen.
Kopgroep van landen
Door de stromende regen arriveerde ze op de gloednieuwe campus van Universiteit Leiden in Den Haag. Ze had net aan tafel gezeten met Nederlandse pensioenfondsen, werkgeversorganisaties, vakbonden en verzekeraars. Ook een ontmoeting met minister van Financiën Eelco Heinen staat op het programma. Volgens Albuquerque zijn de Nederlandse organisaties positief over haar plannen. “Ze zien de noodzaak tot verandering als een kans om competitiever te worden.”
Ook het kabinet wil vooruit. Samen met vijf andere landen – Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Polen – stuurde Nederland een brief aan Albuquerque om vaart te maken. En bij aanhoudende weerstand van andere lidstaten stelden de zes voor om desnoods met een kleinere groep de benodigde stappen te zetten. Nederland zou dan deel uitmaken van een kopgroep van minimaal negen landen, een mechanisme waarmee lidstaten binnen de EU sneller kunnen bewegen zonder de achterblijvers mee te hoeven nemen. Commissievoorzitter Ursula von der Leyen sprak daar al over tijdens de afgelopen Europese top.
Tijdens de gesprekken in Den Haag kwam de brief niet specifiek ter sprake, maar de onderliggende thema’s wel. “We bespraken de noodzaak om de regels voor de bankensector te herzien, de uitdagingen op het gebied van pensioenen en de verzekeringssector in Europa. Het waren heel open gesprekken”, aldus Albuquerque.
Veel meer geld nodig
Waarom is versterking van de kapitaalmarkt zo urgent? “We zijn te afhankelijk geworden van derde landen voor onze eigen veiligheid en defensie, en voor sommige van de meer innovatieve sectoren van de economie”, zegt Albuquerque. “We zien ook dat onze concurrentiekloof ten opzichte van andere regio’s groter wordt. We moeten ervoor zorgen dat we het juiste beleid hebben zodat Europa die kloof kan dichten.”
De kern van het probleem is versnippering. “In de financiële sector blijven te veel barrières bestaan die ons verdeeld houden. En die versnippering maakt ons inefficiënt.” Die conclusie klinkt al jaren in Brussel, maar de urgentie is volgens Albuquerque nu hoger dan ooit. “Als we verdeeld blijven, zullen we falen bij de uitdagingen die we het hoofd moeten bieden.”
In de Nieuwsbrief van Economie tot euro verschijnt een uitgebreider artikel over het bezoek van Albuquerque met daarin de bezwaren van Nederland om de Europese banken nauwer met elkaar te laten samenwerken. Abonneer je nu en ontvang het artikel, samen met andere verdiepende verhalen, direct in jouw mailbox.