Concurrentiekracht. Het gaat de afgelopen weken in Europa over bijna niks anders. De regeringsleiders spraken erover tijdens een retraite in een Belgisch kasteel en ze spraken erover met honderden bedrijfsleiders uit de industrie tijdens een top in Antwerpen.
Een verhaal over concurrentiekracht, is een verhaal over klimaat. Dat zegt Wopke Hoekstra in bijna elke toespraak: concurrentiekracht, economische groei en klimaatbeleid gaan hand in hand. De Europese industrie zelf legde ook nadrukkelijk die link. In een verklaring, ondertekend door Europese brancheorganisaties van onder meer autofabrikanten, de chemische industrie, staal- en cementproducenten, schrijven de partijen dat de energie- en koolstofkosten omlaag moeten. Ook vragen zij om eerlijke handel met landen buiten Europa en meer steun voor producten die in Europa worden gemaakt. De organisaties zeggen dat zij geen bescherming tegen verandering willen, maar de juiste voorwaarden om zelf voorop te kunnen lopen in de transitie. “Red onze industrie. Niet volgend jaar, niet volgende week, maar vandaag”, aldus de verklaring.
Energiekosten
Met name de energiekosten zijn een probleem voor de industrie. Niet gek ook, want in sommige sectoren – denk aan aluminium, glas en staal – bestaan 20 tot 40 procent van de productiekosten uit energiekosten. Voor andere energie-intensieve sectoren is dat een aandeel van 5 tot 10 procent. Dan te bedenken dat de kosten van elektriciteit en gas in Europa structureel hoger liggen dan in de Verenigde Staten en China, met name na de oorlog in Oekraïne piekte de gasprijs. Inmiddels is het wel iets gedaald, maar betaal je ongeveer twee tot drie keer zoveel in Europa vergeleken met Amerika.
Dat het in Europa duurder is, ligt vooral aan gas. Dat importeert de EU, en omdat gas ook wordt gebruikt om elektriciteit op te wekken, werkt die prijs door in de elektriciteitsprijs. Daarnaast geldt in Europa sinds 2005 het emissiehandelssysteem (ETS). Bedrijven moeten rechten kopen om CO2 uit te stoten. Elk jaar zijn er minder rechten beschikbaar, waardoor de uitstoot geleidelijk duurder wordt. Het idee erachter is dat duurzame energie zo aantrekkelijker wordt dan fossiele energie. Een windmolen is bijvoorbeeld eerder terugverdiend dan een kolencentrale omdat die eerste geen uitstootrechten hoeft te kopen.
ETS2 komt eraan
De industrie klaagt vooral over het emissiehandelssysteem (ETS). In 2028 treedt een soortgelijk systeem in werking die de uitstoot van CO2 door benzine, diesel en gas ook gaat beprijzen. In dat geval moeten aanbieders van fossiele brandstof ook emissierechten kopen. Dit systeem staat los van ETS, zoals de industrie dat kent. Deze emissierechten hebben een eigen prijs. Maar voordat het ingevoerd is staat dit nieuwe systeem al onder druk. De invoering ervan is al een jaar uitgesteld wegens de zorgen over de hoge prijzen die het oplevert.
“Als politici moeten we oog hebben voor de financiën van onze burgers”, zei Eurocommissaris Wopke Hoekstra. “En ik begrijp de zorgen over de stijgende energierekening.” De Rabobank deed een voorspelling: de kosten voor een Nederlands gezin met een huis op aardgas en een benzineauto stijgen vanaf 2027 ongeveer 180 euro per jaar. Volgens ABN Amro is dat getal hoger als indirecte kosten ook worden meegeteld, zoals het duurder wordt om brood te halen bij de bakker, die ook een hogere energierekening heeft. Lees hier alles over ETS2.
Overstap
Het probleem voor de zware industrie is dat de overstap naar duurzame productie niet mogelijk is. Dat kan zijn omdat de alternatieven nog niet op grote schaal beschikbaar zijn, denk aan groene waterstof of een stabiel elektriciteitsnet. Maar dat kan ook komen doordat de kosten van duurzame productie te hoog zijn, zeker in vergelijking met de concurrenten in de Verenigde Staten of China. Tegelijkertijd stijgen ook de kosten van fossiele energie, precies zoals het beleid voorschrijft. Al moet daarbij gezegd worden dat de prijzen veel harder zijn gestegen door de oorlog in Oekraïne. En daarom luiden de bedrijven de noodklok. Ze willen niet per se van het emissiehandelssysteem af, maar ze willen dat het “minder pijnlijk” wordt.
De Europese Commissie gaat daar voorlopig niet in mee. Volgens Commissievoorzitter Ursula von der Leyen is het emissiehandelssysteem bewezen succesvol. De investeringen in groene energie zijn toegenomen en de uitstoot is gedaald, maar ze geeft de industrie wel deels gelijk. Volgens haar wordt maar vijf procent van de inkomsten van het emissiehandelssysteem door de lidstaten geïnvesteerd in de verduurzaming van de industrie. En dat moet veel meer worden. “Deze middelen komen uit de industrie en moeten worden geherinvesteerd in de industrie”, aldus Von der Leyen.
Europese producten
Daarnaast komt de Commissie met een plan om in Europa geproduceerde producten te stimuleren, wat ook de industrie vooruit zou moeten helpen. Aan het emissiehandelssysteem sleutelt de Commissie voorlopig niet, al staat er in de zomer van 2026 wel een evaluatie op de planning.
Dit artikel komt uit onze Nieuwsbrief Klimaat en Energie. Eindredacteur Sander van Vliet praat je daarin elke twee weken bij over al het klimaatnieuws. Met verdiepende verhalen over Europees beleid, tot alles wat politiek Den Haag voor maatregelen neemt. Steun ons, abonneer je nu en blijf op de hoogte.
