Column Cijfers en Feiten | Drenthe en Zeeland halen meer uit Brussel dan ze erin stoppen

Nederland wil met vijf andere nettobetalers flink korten op de volgende EU-begroting. Oud-SER-hoofdeconoom Marko Bos laat zien dat de provincies gemiddeld quitte spelen met Brussel, en dat sommige er flink op vooruitgaan.

3 min. leestijd
(Foto: Provincie Drenthe)

Haal enkele honderden miljarden af van het Commissievoorstel voor het meerjarig financieel kader (MFK). En bezuinig daarvoor op alle begrotingsposten. Dat vragen zes nettobetalers aan de EU-begroting – Duitsland, Nederland, Denemarken, Zweden, Finland en Oostenrijk – per brief aan het Ierse voorzitterschap, dat een nieuw onderhandelingsdocument (de zogeheten ‘negotiating box’) opstelt. Andere nettobetalers, zoals Frankrijk en Italië, hebben niet meegetekend.

De zes lidstaten vinden een toename van de EU-uitgaven met zestig procent ten opzichte van het lopende MFK buitensporig. Zij pleiten voor een MFK van de huidige omvang. Maar waar mikken zij precies op? Het grootste deel van die toename van zestig procent bestaat uit inflatiecorrectie en het meegroeien met de Europese economie. Vinden de zes een budget dat constant blijft als percentage van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU (1,12 procent) wel acceptabel?

Ook dat blijft onder de 1,26 procent van het EU-bni die de Europese Commissie voorstelt. In dat voorstel zit wel een behoorlijke modernisering van de begroting besloten: een lager aandeel voor landbouw- en cohesie-uitgaven; veel meer ruimte voor bijvoorbeeld innovatie en defensie. Maar ook toenemende rentelasten vanwege het coronaherstelfonds. Schaven aan het begrotingskader brengt de modernisering in gevaar, waarschuwt Pieter Hasekamp, directeur van het Centraal Planbureau.

Wat leveren de bestaande EU-fondsen Nederland eigenlijk op? Olga Ivanova van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft dat onderzocht voor de twaalf provincies. 

Zij heeft om te beginnen gekeken naar wat de provincies tussen 2013 en 2024 hebben ontvangen uit cohesiefondsen, het landbouw- en plattelandsbeleid, innovatie- en technologieprogramma’s en het infrastructuurfonds. Het kaartje laat zien dat het meeste EU-geld in Zuid-Holland, Noord-Brabant en Noord-Holland is geland. Vooral via het onderzoeksprogramma Horizon. In andere provincies – Flevoland, Zeeland, Drenthe en Friesland voorop – voert de landbouwsteun de boventoon.

Maar het kaartje geeft nog geen inzicht in structurele welvaartseffecten. De EU-fondsen beogen niet alleen bestedingen op korte termijn te verruimen, maar vooral welvaartsvermogen op langere termijn te versterken. En daarvoor zijn ook indirecte effecten via handel, investeringen en kennisuitwisseling van belang.

Modelmatig heeft Ivanova de langetermijnbaten van EU-fondsen voor de afzonderlijke provincies geschat – en die afgezet tegen de euro’s die, via het rijk, voor de financiering van het EU-budget worden afgedragen. Het volgende kaartje laat de uitkomsten zien.

Gemiddeld spelen de Nederlandse provincies ongeveer quitte. Drenthe en Zeeland komen als winnaars naar voren. Zij hebben in de afgelopen jaren per afgedragen euro zo’n twee euro aan extra bbp-groei geboekt. Daarmee hebben EU-fondsen geholpen om binnen ons land regionale verschillen te verkleinen.