Column Cijfers en Feiten | Eén fonds, minder geld, meer risico?

De Europese Commissie wil de structuur van de meerjarenbegroting op de schop gooien, maar de Europese Rekenkamer reageert kritisch. Oud-SER-hoofdeconoom Marko Bos analyseert het voorstel in zijn column deze week.

3 min. leestijd
Old ECB building with euro symbol in Frankfurt
(Foto: ECB).

De Europese Rekenkamer blijft adviezen uitbrengen over onderdelen van het pakket van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) -de begroting – 2028-2034. Deze zijn door Raad en Europees Parlement gevraagd.

Afgelopen week kwam het advies over het Europees Fonds uit. Dit nieuwe fonds moet de twee grootste uitgavenposten van de EU – de landbouwuitgaven (zie de column van vorige week) en de cohesie-uitgaven gaan bundelen – plus nog eens 14 bestaande EU-acties. 

Eén fonds

Het Europees Fonds wordt – zo stelt de Commissie voor – veruit de grootste post op de EU-begroting: zo’n 44 procent van de totale uitgaven in de periode 2028-2034 (zie de grafiek). Maar het aandeel van dezelfde uitgavenposten in de lopende (huidige) MFK-periode ligt fors hoger: 63 procent. De bundeling gaat dus met een flinke korting gepaard. Daarmee wordt financiële ruimte gemaakt voor nieuwe prioriteiten: collectieve goederen op Europese schaal zoals innovatie, trans-Europese netwerken en defensie.

De bundeling in één fonds moet de samenhang bij de inzet van middelen uit de EU-begroting versterken. Die uitdaging komt vooral bij de lidstaten te liggen: de samenhang moet vorm krijgen in de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen (NRP’s). Het is vervolgens aan de Europese Commissie om al die NRP’s op een consistente wijze in hun opzet én uitvoering te beoordelen.

Coronaherstelfonds

Bij het Herstel- en Veerkrachtfonds (RRF) was dat ook aan de orde. Het lukt de Commissie niet altijd goed om de gestelde mijlpalen en doelen goed te bewaken. Met als dieptepunt het negeren van de rechtsstaat-voorwaarden bij de toekenning van een RRF-tranche aan Hongarije.

Die mijlpalen en doelen zouden maatschappelijk gewenste uitkomsten moeten weerspiegelen – daar waar de EU het verschil kan maken, toegevoegde waarde kan leveren. Het streven om begrotingsuitgaven zo goed mogelijk  te richten op maatschappelijk gewenste prestaties is prima. Maar hoe definieer en meet je die prestaties precies? Hoe maak je die ook onderling, tussen lidstaten, vergelijkbaar? En wat is een passende omvang van de steun uit het EU-budget als je het anker van het vergoeden van gemaakte kosten loslaat?

Toezicht

Dat zijn lastige vragen. Het doorsnijden van de koppeling aan gemaakte kosten leidt niet vanzelf tot een prestatiegericht systeem. Maar dat zou geen reden moeten zijn om maar vast te houden aan het bestaande, onvolkomen systeem. Of te blijven hangen in discussies over de omvang van het EU-budget. Hoe dan ook is er alle reden om vast te houden aan voldoende cofinanciering (zelf een deel betalen) door de lidstaten. Die financiële medebetrokkenheid disciplineert meestal wel. Maar EU-toezicht blijft nodig om misbruik voor prestigeprojecten en politieke macht tegen te gaan.