Column Cijfers en Feiten | Adviesorganen EU moeten minder maar beter adviseren

De EU heeft officiële adviesorganen die transparanter opereren dan lobbyisten, maar hun adviezen halen zelden de publiciteit. De Europese Rekenkamer nam ze onder de loep en is kritisch. Oud-SER-hoofdeconoom Marko Bos bespreekt de bevindingen.

3 min. leestijd
(Foto: Europees Comité van de Regio’s).

In de EU wordt druk gelobbyd. Er zijn jaarlijks honderden miljoenen euro’s mee gemoeid. Met een transparantieregister – waarin inmiddels ruim 17.000 organisaties en personen zijn ingeschreven – en met regels voor het registreren van gesprekken met belangenbehartigers is meer zicht gekomen op wie waar(voor) lobbyen. Het is natuurlijk prima om te weten welke gesprekken hebben plaatsgevonden. Maar daarmee is nog niet helder welke argumenten en standpunten zijn gewisseld. Via de lobby wordt kennis ingebracht; dat is op zich nuttig maar ook eenzijdig, zonder waarborgen voor een eerlijke belangenafweging.

Dat is een verschil met de inbreng van de twee adviesorganen die in de EU-Verdragen zijn verankerd: het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en Europees Comité van de Regio’s (CvdR). Die zijn divers samengesteld en stellen hun adviezen in de openbaarheid vast. Maar slechts weinigen zullen daar kennis van nemen. Daarom is het goed dat de Europese Rekenkamer deze adviesorganen onder de loep heeft genomen.

Regio’s

Het EESC is door het Verdrag van Rome (1957) ingesteld, en vertegenwoordigt werkgevers, werknemers en andere maatschappelijke organisaties. Het Comité van de Regio’s dateert van 1994 en bestaat uit vertegenwoordigers van decentrale overheden. 

Het EESC brengt jaarlijks zo’n 150 adviezen en rapporten – gevraagd en ongevraagd – uit. Bij het Comité van de Regio’s van de Regio’s gaat het, inclusief resoluties, om zo’n vijftig tot zestig publicaties per jaar (zie grafiek). Al die adviezen halen zelden of nooit de publiciteit.

Zijn de twee adviesorganen daarmee ineffectief? Dat hoeft niet. Op basis van een steekproef stelt de Rekenkamer enige invloed op de uiteindelijke wetgeving vast. Maar die invloed kan worden versterkt door vaker tijdig te adviseren: door de juiste landingszone voor beïnvloeding van het Europees Parlement te kiezen.

Dat vraagt om kortere doorlooptijden. Bij het EESC bedraagt de gemiddelde doorlooptijd van adviezen nu vier maanden. Het Comité van de Regio’s heeft langer nodig: gemiddeld zeven maanden in 2024.

De Rekenkamer constateert enige willekeur in de selectie van deskundigen die als adviseurs bij adviesprojecten worden ingeschakeld. Zelf heb ik lang geleden bij het EESC als deskundige een rapporteur mogen bijstaan. Die ervaring leerde mij dat de keuze van de rapporteur cruciaal is. De kwaliteit van het advies wordt bepaald door de combinatie van relevante aanbevelingen én steekhoudende argumenten; het is aan de rapporteur om steun voor die combinatie in de diverse geledingen binnen het Comité te verwerven. 

Tot slot: overdaad schaadt. Een focus op minder adviezen, over echt belangrijke onderwerpen, kan de kwaliteit én de impact van die adviezen vergroten.