Opinie | Kiezen Europese leiders voor toekomstige groei of langzaam verval?

De volgende Europese meerjarenbegroting bepaalt hoeveel Europa investeert in onderwijs, onderzoek en innovatie en daarmee in zijn eigen toekomst. Ruud Schapenk, campagne- en beleidsmedewerker bij Neth-ER, legt in een ingezonden stuk uit waarom Europese leiders nu moeten kiezen.

4 min. leestijd
Universiteit Utrecht. (Foto: iStock).

Door: Ruud Schapenk

De mate waarin samenlevingen investeren in onderwijs, onderzoek en innovatie bepaalt hun positie in het geopolitieke krachtenveld. In Principles for Dealing with the Changing World Order beschrijft Ray Dalio hoe grootmachten zich ontwikkelen volgens terugkerende cycli van opkomst en verval. 

Europa heeft iets bereikt wat historisch uitzonderlijk is: duurzame vrede tussen voormalige rivalen en een interne markt met 440 miljoen mensen. Maar geopolitiek gewicht wordt niet alleen bepaald door vrede en waarden; het vraagt ook om structurele investeringen in economische en technologische slagkracht.

Dalio laat zien dat opkomende machten systematisch investeren in hun productieve vermogen: onderwijs, onderzoek en infrastructuur. De Verenigde Staten investeren al decennia rond de 3 procent van het bruto binnenlands product in innovatie. Zuid-Korea en Japan overschrijden de 3 procent grens ruimschoots. De Europese Unie blijft steken op 2,2 procent. Kijkend naar de looptijd van de volgende Europese meerjarenbegroting, is de verwachting dat China Europa overtreft met een factor 1,5 aan kennisinvesteringen. Initiatieven als het Europese onderzoeksprogramma Horizon zijn belangrijk, maar relatief bescheiden: het huidige Europese onderzoeksprogramma heeft een budget van 95 miljard euro verspreid over zeven jaar; minder dan de grote Amerikaanse techbedrijven individueel investeren in dezelfde periode. In de top 50 R&D-bedrijven staan maar vier Europese bedrijven, de rest komt uit de VS of uit Azië. 

Precies daar wringt het. Europa is afhankelijk van andere landen en regio’s op het gebied van defensie, energie en grondstoffen. Hoewel kennis de echte grondstof van Europa is, weigert de EU hier in te investeren en blijven we steken in compromissen. 

Herverdelen of investeren?

Die spanning komt scherp naar voren in de onderhandelingen over het nieuwe Europese Meerjarig Financieel Kader voor de periode 2028 tot 2034. De Europese begroting is bescheiden in vergelijking met de nationale begrotingen van de lidstaten. De Europese begroting is geen klassieke herverdelingsmachine, maar kan juist fungeren als strategisch investeringsinstrument. 

De Europese Commissie onder leiding van voorzitter Ursula von der Leyen lijkt dat te begrijpen. Het Commissievoorstel voor de nieuwe begroting legt meer nadruk op defensie, innovatie en concurrentiekracht. Ook het Europees Parlement zet in op opschaling, met een verdubbeling van de middelen voor onderzoek en innovatie. Dat is cruciaal, want elke euro publieke R&D-investering genereert een veelvoud aan private investeringen en zorgt voor economische groei op de lange termijn. 

Politieke keuzes

Maar de doorslag ligt bij de lidstaten en daar dreigt het belang van de korte termijn te winnen. Voor veel regeringen is de Europese begroting in de eerste plaats een rekensom: wat krijgen we terug voor onze nationale bijdrage? Dat leidt steevast tot compromissen waarin traditionele uitgavenposten worden beschermd, terwijl toekomstgerichte investeringen onder druk staan. Het gevolg is een begroting die stabiliseert, maar niet transformeert. En dat is precies het scenario dat Dalio beschrijft als kenmerk van een fase van neergang: de politieke energie gaat naar verdeling, niet naar groei. 

Europa kan zich die luxe niet veroorloven. De uitdagingen zijn te groot en te urgent. De komende meerjarenbegroting is daarom geen technisch dossier, maar een keerpunt. Met een grote en sterke interne markt, een goed opgeleide beroepsbevolking en sterke instituties heeft Europa alle ingrediënten om een leidende rol te spelen. Maar dat vereist politieke keuzes die verder gaan dan nationale reflexen.

De vraag is uiteindelijk eenvoudig, maar ongemakkelijk: durven Europese leiders hun kiezers uit te leggen dat investeren in gezamenlijke kracht geen kostenpost is, maar een voorwaarde voor geopolitieke relevantie? Of kiezen ze voor het pad van de minste weerstand en daarmee, stap voor stap, voor relatieve achteruitgang? Europa heeft de middelen. Nu nog de politieke wil.

Ruud Schapenk is campagne- en beleidsmedewerker bij Neth-ER (Netherlands house for Education and Research), de belangenbehartiger van Nederlandse kennissector in Brussel.