Column Cijfers en Feiten | Europese industriewet: ambitieus plan of wensdenken?

De Europese Commissie wil de Europese industrie versneld laten groeien met een nieuwe ‘versnellingswet’, maar de ambities roepen serieuze vragen op. Oud-SER-hoofdeconoom Marko Bos weegt de plannen in zijn column deze week.

3 min. leestijd
Aerial from industry in the harbor from Rotterdam in the Netherlands
Industrie in Rotterdam. (Foto: iStock).

Voor de versterking van de strategische autonomie heeft de Europese Commissie een ontwerp-verordening opgesteld, de Industrial Accelerator Act. Deze ‘versnellingswet’ moet de industriële capaciteit van de EU in strategische sectoren helpen vergroten – en de overgang naar een koolstofarme economie versnellen.

Wat zijn die strategische sectoren?

  • De energie-intensieve industrie, waaronder staal, aluminium, cement, papier en plastic, olieraffinage en chemie;
  • De technologische maakindustrie (‘clean tech’) die nodig is voor verduurzaming (zoals batterijen en zonnepanelen);
  • De automotive sector.

Het aandeel van de totale maakindustrie in het bbp van de EU bedraagt nu 14,3 procent. De Commissie wil dat verhogen naar 20 procent in 2035. Dat streefcijfer gaat in tegen de trend en is heel willekeurig. Het is namelijk niet evident dat zo’n stijging van het aandeel de maatschappelijke welvaart optimaliseert. Er valt beleidsmatig ook niet op te sturen. 

Achterliggende streven

Dat streefcijfer en de daaraan gekoppelde verwachtingen over werkgelegenheidsgroei moesten we maar snel vergeten. Maar dat doet niets af aan het belang van het achterliggende streven van verduurzaming en versterking van de Europese industrie. 

Sommige voorstellen van de Commissie zijn rechttoe rechtaan (maar daarmee nog niet gemakkelijk uitvoerbaar). Zoals de afspraak dat lidstaten voor industriële projecten één enkele vergunningprocedure instellen waarbij één enkele aanvraag volstaat. 

In ons land is dat in 2024 met de invoering van de Omgevingswet in principe gerealiseerd. De verlening van bouw-, milieu- en gebruiksvergunningen is nu gebundeld, ook al kunnen nog steeds verschillende overheden bij de vergunningverlening zijn betrokken. Alleen met een goed samenspel tussen die overheden kan ook daadwerkelijk tijdwinst worden geboekt.

Buitenlandse investeringen

Ingewikkelder wordt het als het gaat om het beoordelen van (grotere) investeringen van derde landen in strategische sectoren. Dan is het de bedoeling om te toetsen of die investeringen kwalitatief goede banen opleveren, innovatie en groei bevorderen, en waarde creëren door technologie- en kennisoverdracht.

Plus voldoen aan een local content voorwaarde: ten minste de helft van de werknemers moet afkomstig zijn uit de EU. Heel behartenswaardig, maar zal dit gaan werken?

Duurzaam inkopen

Door duurzaam in te kopen kunnen overheden ‘clean tech’ en verduurzaming van energie-intensieve sectoren effectief bevorderen. De totale overheidsaanbestedingen omvatten immers liefst vijftien procent van het EU-bbp. Daarmee hebben overheden een belangrijk instrument in handen om investeringen van bedrijven in verduurzaming van hun productie lonend maken. Dat zullen ze echt moeten gaan benutten. Maar gaan overheden dat echt doen?

De verordening schrijft ook voor dat 25 procent van het staal en vijf procent van het cement dat zij aankopen, ‘groen’ (laag CO2-gehalte) moet zijn? En hoe gaan we dat monitoren?