Stichting Vluchteling bestaat dit jaar vijftig jaar. Een jubileum dat gepaard gaat met gemengde gevoelens, zegt directeur Benoit De Gryse, die vorig jaar het stokje overnam van Tineke Ceelen. Terwijl wereldwijd meer mensen op de vlucht zijn dan ooit, staan humanitaire organisaties onder druk door bezuinigingen en een steeds harder migratiedebat.
Brusselse Nieuwe sprak met De Gryse over vijftig jaar Stichting Vluchteling, het Europese Asiel- en Migratiepact, en de vraag hoeveel ruimte er nog is om de Nederlandse uitvoering van het Europese migratiepact bij te sturen.
Stichting Vluchteling bestaat vijftig jaar. Is dat iets om te vieren?
“Dat is dubbel. Natuurlijk zijn we trots dat er al vijftig jaar mensen zijn die zich inzetten voor vluchtelingen. Maar tegelijkertijd is het feit dat wij na vijftig jaar nog steeds nodig zijn geen reden voor een feest.
De organisatie werd opgericht door Cees Brouwer en Gerrit Jan van Heuven Goedhart, die beiden in het verzet zaten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen leefde nog het idee dat vluchtelingencrises tijdelijk waren. Mensen zouden terug naar huis kunnen zodra oorlogen voorbij waren. Vandaag zijn er bijna 120 miljoen mensen op de vlucht. Dus nee, in die zin valt er weinig te vieren.”
Benoit De Gryse (Brugge, België. 1977) is sinds oktober 2025 directeur van Stichting Vluchteling. Daarvoor was hij binnen dezelfde organisatie verantwoordelijk voor programma’s en belangenbehartiging. Eerder werkte hij ruim twintig jaar voor internationale hulporganisaties, waaronder Artsen zonder Grenzen. Hij vervulde leidinggevende functies in Afghanistan, Pakistan en Syrië en was later verantwoordelijk voor humanitaire operaties in onder meer Bangladesh, Irak, Myanmar en Nigeria.
Tegelijkertijd wordt er fors bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking. Wat betekent dat voor Stichting Vluchteling?
“Wij zijn in de eerste plaats een humanitaire organisatie. Onze focus ligt op noodhulp: water, medische zorg, psychosociale ondersteuning en bescherming van mensen op de vlucht. Dat doen we samen met lokale partners, zo dicht mogelijk bij de mensen die hulp nodig hebben.
Juist daarom maken die bezuinigingen ons zorgen. Humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking kun je niet van elkaar los zien. Humanitaire hulp is bedoeld voor acute noodsituaties, niet als permanente oplossing. Als je tegelijkertijd investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en economische ontwikkeling afbouwt, neemt de druk op noodhulp alleen maar verder toe.”
“Daarnaast zien we wereldwijd een afname van het respect voor humanitair recht. Hulpverleners worden steeds vaker doelwit van conflictpartijen. En ook de publieke steun voor internationale solidariteit is minder vanzelfsprekend geworden.
Twintig jaar geleden waren solidariteit, bescherming en hulp relatief vanzelfsprekend. Nu moeten we voortdurend uitleggen waarom mensen op de vlucht überhaupt hulp verdienen.”
Naast humanitaire hulp zet Stichting Vluchteling zich ook in op politiek vlak. Het Europese migratiepact treedt binnenkort in werking. Hoe kijken jullie naar dat pact?
“Voor ons is het pact in de eerste plaats een gemiste kans. Sinds 2015 is migratie steeds meer neergezet als een bedreiging. Het dominante verhaal werd dat migratie onze cultuur, onze veiligheid en onze samenleving bedreigt. Dat denken is in tien jaar tijd mainstream geworden.
Je had ook kunnen zeggen: migratie is een realiteit, hoe organiseren we die beter? Hoe zorgen we voor snelle procedures, voor integratie en voor bescherming? Solidariteit als uitgangspunt heeft het niet gehaald. Het gaat voornamelijk over afschrikking en terugkeer.”
Wat is het Europese asiel- en migratiepact?
Het Europese asiel- en migratiepact is een pakket van tien Europese wetten en regels dat de asielprocedures binnen de EU moet harmoniseren. Het pact voorziet onder meer in strengere grenscontroles, snellere asielprocedures, en een nieuw solidariteitsmechanisme tussen lidstaten.
Naast het pact komt er ook nieuwe terugkeerwetgeving aan. Die regelt wat er gebeurt met mensen van wie een asielaanvraag is afgewezen. Meer weten? In de migratienieuwsbrief van 2 juni schreven we over alle ins en outs van het pact. Abonneer je nu in onze webshop.
Toch zitten er juist ook solidariteitsmechanismen in het pact.
“Dan hebben we het over solidariteit tussen Europese lidstaten, niet over solidariteit met vluchtelingen.
En ook die solidariteit tussen lidstaten wordt vooral als verkoopargument gebruikt. Als je kijkt naar de aantallen waar het over gaat, vraag ik me af hoeveel solidariteit er werkelijk achter zit.
Nu al zie je dat veel lidstaten ervoor kiezen hun verplichtingen af te kopen in plaats van mensen op te nemen.
Bovendien zie je tegelijkertijd dat, ook in Nederland, politici zeggen dat er eigenlijk niemand meer naar Europa moet komen. Dan wordt het moeilijk om geloofwaardig over solidariteit te spreken.”
Wat zijn in jullie ogen de meest problematische onderdelen van het pact en de terugkeerverordening?
“Vooral de nadruk op terugkeerhubs, wat in onze ogen een eufemisme is voor deportatiehubs. Europa probeert zijn verantwoordelijkheid steeds verder buiten de eigen grenzen te organiseren, ook door het ‘veilig derde land’-concept. Dat vinden wij principieel problematisch.
Maar los daarvan is er ook een praktische vraag: werkt het eigenlijk? Experts spreken elkaar tegen. De regels zijn complex. Lidstaten zijn niet klaar voor de uitvoering.”
Het pact ligt vast, maar hoe het precies op nationaal niveau wordt ingevoerd, kan nog deels worden bepaald. Hoeveel ruimte zien jullie nog om te voorkomen dat Nederland straks kiest voor de hardst mogelijke interpretatie van de nieuwe Europese migratieregels?
“In zekere zin heeft Nederland die keuze al gemaakt, namelijk door op sommige onderdelen een hardere koers te kiezen dan het pact vereist.
Zo verkort Nederland tijdelijke verblijfsvergunningen van vijf naar drie jaar. Dat hoefde niet op basis van het pact, maar is wel een politieke keuze. Maar waar we vooral ruimte zien, is in de concrete uitwerking van zaken als veilige derde landen en terugkeerhubs.
Onze eerste boodschap is daarbij heel simpel: doe het niet. Maar als de politiek toch die richting op wil, zien wij het als onze taak om zichtbaar te maken wat die keuzes in de praktijk betekenen.
We werken samen met lokale partners in landen waar Europa afspraken mee wil maken. Via hen zien we wat er daadwerkelijk gebeurt met mensen op de vlucht. Die werkelijkheid proberen we vervolgens terug te brengen naar Den Haag en Brussel.
Dat hoort ook bij ons mandaat: signaleren wat er op de grond gebeurt, ook wanneer dat niet past bij het politieke verhaal.”
Waar maken jullie je daarbij het meeste zorgen over?
Wij hebben minister Bart van den Brink (Asiel en Migratie, red.) gevraagd: waar ligt voor u de ondergrens? Welke situaties vindt Nederland niet meer acceptabel als het gaat om het uitbesteden van grensbeheer en vluchtelingenopvang? Op die vraag krijgen we eigenlijk geen duidelijk antwoord.
Als je kijkt naar eerdere afspraken met landen als Libië, dan weten we wat er kan gebeuren wanneer Europa migratiebeheer uitbesteedt. Dan moet je jezelf afvragen: hoe ver wil je hierin gaan? Welke risico’s voor mensenrechten ben je bereid te accepteren?”
Hoe zijn die gesprekken met de minister?
“Er zijn op zijn minst gesprekken. Dat was bij het vorige kabinet lang niet altijd het geval; daar stond de deur voor humanitaire organisaties veel vaker dicht. Tegelijkertijd zien we dat we weliswaar gehoord worden, maar dat onze zorgen vaak niet worden overgenomen.
Waar wij wijzen op mensenrechten, uitvoerbaarheid en bescherming, wordt het politieke debat steevast geframed als een strijd tegen mensensmokkel. Daardoor praat je soms bijna langs elkaar heen.”
Zijn er ook zaken in het pact die jullie als positief beschouwen?
“In principe wel. Maar het sleutelwoord is wel: in principe. Snellere procedures zijn bijvoorbeeld een goed idee. Niemand heeft er baat bij om jarenlang in onzekerheid te zitten over zijn toekomst.
Maar een procedure die sneller verloopt is alleen een verbetering als ze ook zorgvuldig blijft. Als snelheid ten koste gaat van rechtsbescherming, juridische bijstand of een eerlijke beoordeling van een asielaanvraag, dan ben je het probleem niet aan het oplossen.”
U werkte de afgelopen twintig jaar in de humanitaire sector over de hele wereld. Wat hebben die ervaringen u geleerd over migratie en solidariteit?
“In landen als Turkije en Libanon zag ik aanvankelijk veel solidariteit met vluchtelingen. Maar ik heb ook gezien hoe snel dat kan omslaan. Vaak gebeurt dat om twee redenen. Ten eerste wanneer politici op zoek gaan naar een zondebok. Dat zie je eigenlijk overal. En ten tweede wanneer mensen jarenlang geen perspectief krijgen op werk, onderwijs of integratie. Dan ontstaan spanningen tussen nieuwkomers en de samenleving die hen opvangt.
Juist daarom vind ik het zo jammer dat het debat zo weinig gaat over integratie. Als je wilt dat opvang werkt, moet je ook investeren in onderwijs, werk en participatie.
We hebben dat bijvoorbeeld gezien bij veel Oekraïense vluchtelingen. Wanneer mensen snel toegang krijgen tot onderwijs en de arbeidsmarkt, ontstaat er vaak veel meer draagvlak in de samenleving.”
In een tijd waarin het debat steeds harder wordt en er steeds minder naar de humanitaire stem geluisterd lijkt te worden, kan ik me voorstellen dat de moed u wel eens in de schoenen zakt. Hoe houdt u dit werk vol?
“Door met mensen te praten. Ik hoef maar tien minuten te spreken met een hulpverlener in Sudan of een vrouw die op de vlucht is geweest om weer te weten waarom we dit doen.
Na zulke ontmoetingen besef je ook hoe willekeurig het eigenlijk is waar je geboren wordt. Ik heb een Belgisch paspoort. Dat is geluk. Ik had net zo goed degene kunnen zijn die moest vluchten.
En tegelijkertijd wil ik benadrukken dat er voortdurend wordt gesproken alsof solidariteit verdwenen is. Maar vier miljoen Nederlanders geven nog altijd aan goede doelen. Tienduizend mensen lopen mee met de Nacht van de Vluchteling op 20 juni, het hoogste aantal ooit. Dat is óók Nederland.
Dat is misschien ook de belangrijkste les van vijftig jaar Stichting Vluchteling. Politieke windrichtingen veranderen. Debatten veranderen. Maar uiteindelijk blijven er altijd mensen die zich afvragen wat zij kunnen doen voor iemand die alles is kwijtgeraakt.
Dat is na vijftig jaar nog steeds de kern.”
