Kabinet vreest regeldruk door ‘Made in Europe’-wet

Het Europese plan om de industrie te versterken leidt volgens het kabinet tot meer bureaucratie voor gemeenten en hogere productprijzen. Ook zijn de duurzaamheidseisen niet duidelijk.

3 min. leestijd
Medewerker in Volkswagen-fabriek in Chemnitz. (Foto: Volkswagen).

Het Nederlandse kabinet maakt zich zorgen om de regeldruk die komt kijken bij de zogeheten Industrial Accelerator Act die de Europese Commissie onlangs presenteerde. Met dat voorstel wil de Commissie de Europese industrie vooruithelpen. Zo moeten vergunningen in Europa sneller verleend worden en moet de vraag naar in Europa gemaakte, duurzame producten toenemen. Dat laatste moet gebeuren met het label Made in Europe

Om vergunning sneller te verlenen, wil de Commissie dat er een loket komt waar bedrijven hun aanvraag kunnen doen. De bedrijven krijgen een Europese digitale portemonnee waarin ze documenten kunnen delen. Het kabinet zegt dat dit “aanzienlijke gevolgen” heeft voor gemeenten. Gemeenten moeten namelijk de vergunningsaanvragen van bedrijven ontvangen en als die voortaan Europees worden ingediend, moet de gemeente dat systeem ook integreren. Dat kost tijd en geld. 

Made in Europe

Dat geldt ook voor het Made in Europe-label. Volgens die regel krijgen producten die in de EU gemaakt worden voorrang bij overheidsaanbestedingen of gesubsidieerde producten. 70 procent van de onderdelen – de batterij niet meegerekend – van een elektrische auto moet bijvoorbeeld Europees zijn. Ook gelden soortgelijke eisen voor producten zoals batterijen, zonnepanelen, warmtepompen en kerncentrales. 

Eurocommissaris Wopke Hoekstra zei tijdens een bezoek aan de Tweede Kamer afgelopen maand dat Made in Europe niet letterlijk gemaakt in Europa betekent, maar dat landen waar Europa een handelsverdrag mee heeft ook onder het label vallen. Dat benadrukt het kabinet ook: het kan niet zo zijn dat we landen waarmee we vrijhandelsverdragen hebben, benadelen, oordeelt Den Haag. 

Extra kosten

Dan zijn er ook nog eisen wat betreft verduurzaming. Voor producten zoals staal, aluminium en cement gelden minimumpercentages: een kwart van de staalproductie moet koolstofarm zijn, voor aluminium geldt hetzelfde percentage en voor cement is dat vijf procent. Wie als overheid aanbesteedt of subsidie verstrekt, moet daar rekening mee houden. De bedoeling van deze eisen is goed, maar het is nog niet duidelijk wat koolstofarm precies is en het zorgt voor duurdere producten, zegt het kabinet. Daarnaast vreest Den Haag voor stijgende prijzen: “Toenemende kosten mogen niet leiden tot demotivatie bij de burger om te verduurzamen.”

Dit artikel verscheen vanochtend in de Dagvangst. Daarin praat hoofdredacteur Bert van Slooten je samen met de redactie elke dag (ma, di, wo, do) bij met het laatste nieuws uit Den Haag, Brussel en de rest van Europa. Abonneer je nu en ontvang al het Europese nieuws van belang voor Nederland rechtstreeks in jouw mailbox.